Boekpraat.nl
Henk Hagenberg - mijn beste boeken, samengevat
 

Geert Hofstede
Allemaal andersdenkenden
Omgaan met cultuurverschillen
Oorspronkelijke titel: Cultures and organizations, software of the mind
Uitgeverij Olympus 1991, 2004
352 pagina’s     (samengevat december 2008

 

 
Geert Hofstede (1928) organisatie-psycholoog

Eerste wereldwijde onderzoek naar verschillen nationale culturen

Opzet van het onderzoek
Beschouwingen over nationale identiteiten zijn doorgaans anekdotisch of nogal ideologisch van aard. Maar Hofstede streefde naar een objectieve, wetenschappelijke benadering toen hij in 1968 en 1972 de in de gelegenheid werd gesteld om grootschalig sociologisch onderzoek te doen bij 72 vestigingen van IBM wereldwijd. Hij spitste zijn studie toe op de fundamentele waarden (values) die de personeelsleden koesterden; de basale factoren van goed en kwaad, mooi en lelijk, normaal en abnormaal die men op schoot en school leert en waarover collectieve consensus bestaat. De vraag was, uitgaande van 100 gestandaardiseerde vragen, welke nationale verschillen geïdentificeerd konden worden op grond van welke factoren. Het ging dus niet om verschillen tussen min of meer vluchtige culturele verschijnselen als symbolen, helden en gewoontetjes. Omdat in elk land een gelijke steekproef getrokken werd was nationaliteit de enige variabele in het onderzoek.

Met behulp van factor analyses werden door Hofstede 4 universele cultuur dimensies gevonden:

 1. Machtsafstand
Mate waarin maatschappelijke ongelijkheid verwacht en geaccepteerd wordt. 
Hoog in ontwikkelingslanden en Zuidelijke landen; laag in Zweden, Denemarken, Israël en Oostenrijk(?), gemiddeld in USA, Duitsland, Nederland, Engeland. Relatief - en verrassend hoog - in België en Frankrijk.
Politiek vertaalt een grote machtsafstand zich in respect voor autoriteit, acceptatie van de gevestigde orde, zwak maatschappelijk middenveld, extreme vleugels, revolutie in plaats van evolutie.
Oorsprong: Romaans sprekende landen, erfenis Romeinse centralistische traditie. In Aziatische landen de leer van Confusius met het accent op respect voor (voor-)ouders. Daar tegenover de Germaanse traditie van onafhankelijke stammen en vrije verkiezingen.

2. Individualiteit versus collectief
Mate waarin mensen alleen voor zichzelf of naaste familie zorgen dan wel vanaf de geboorte opgenomen zijn in groepen (m.n. extended families) waarin levenslange bescherming geboden wordt in ruil voor onvoorwaardelijk loyaliteit.
Het overgrote deel van de wereld denkt collectivistisch. Relatief individualistisch zijn USA, West Europa en Australië. Een beetje er tussen in zitten Japan, Brazilië, Turkije, Griekenland en – verrassend! - de Arabische landen.
Hofstede wijst op de correlatie tussen de welvaart van een land en de mate van individualisme. Logischer is echter dat opleiding leidt tot individualisme.
Een individualistische samenleving is meestal ook een egalitair. Maar Frankrijk, België en tot zekere hoogte Italië combineren een meer dan gemiddelde machtsafstand met een sterk individualisme. Directe afhankelijkheidsrelaties worden daar moeilijk verdragen. Loyaliteit naar de staat is voorwaardelijk. Men aanbidt de chef òf hij wordt verguisd

3. Masculiniteit versus femininiteit
Mate waarin sociale sekserollen duidelijk gescheiden zijn versus een samenleving waarin sekserollen overlappen, vrouwen zowel als mannen en vrouwen gericht zijn op zorgzaamheid en de kwaliteit van het bestaan.
De macho pikorde wordt aangevoerd door Japan, Oostenrijk, Venezuela, Italië, Engeland en Duitsland. Gemiddeld scoren onder meer India, de Arabische landen en USA. Vrouwelijk zijn de Scandinavische landen en Nederland.Waarom landen verschillen in M/F is onbekend. Alleen voor West Europa veronderstelt Hofstede een verband met het Viking en Hanze verleden waarbij thuisblijvende vrouwen zelfstandig moesten zorgen dat de boel bleef doordraaien.
Verder merk hij op dat welvarende/masculiene landen een talent zouden hebben voor efficiënte massaproductie. In dat opzicht kwalificeert Japen zeker. Anderzijds: vergelijk Engeland en Duitsland: dezelfde M/F score met toch, althans de laatste decennia, grote verschillen in hun ‘maak’ industrieën. En Zuid Korea met een lage masculiniteitscore heeft een sterke maak industrie, vergelijkbaar met Japan.
Andere curieuze cijfers: Denemarken en Nederland ziet Hofstege als landen met sterke dienstensectoren omdat ze feminien zijn. Maar Franse en Italiaanse mode of Amerikaanse hamburgers, software en entertainment worden door hem genegeerd, wellicht omdat ze niet in hun masculiene model passen? En het gaat door. USA en GB worden bijvoorbeeld gekenschetst als masculiene confrontatie landen maar Duitsland met zijn Rijnlandse harmoniemodel heeft precies dezelfde M/F score.

4. Onzekerheidsvermijding
Mate waarin men zich bedreigd voelt door ‘het vreemde’ en de behoefte aan structuur en voorspelbaarheid door regelgeving, techniek of religie.
Als bij uitstek onzeker scoren Griekenland, Portugal, België, Japan en Frankrijk. Dan volgen o.m. Oostenrijk, Arabische landen, Duitsland en Thailand. Het minst bedreigd voelen zich Denen, Zweden en Engelsen.
In het gezin worden de verschillen aangeleerd tussen schoon en vies,

Voorbeeld Thailand- Duitsland
PDI=power distance,
IDC = individuality,
MAS = masculinity,
UAI = uncertainty avoidance,
LTO = long term orientation

veilig en gevaarlijk etc. Definities en richtlijnen verschillen per cultuur – soepel of strikt. Onzekerheid kan leiden tot vermijding van vreemden, zelfs racisme. Dat geldt ook voor ideeën: taboes of ‘het enige ware geloof’. Het onderzoek van Hofstede heeft geen verklaring waarom de expansieve openbaringsgodsdiensten Westers zijn en meditatieve godsdiensten Oosters. Gesteld wordt dat de Rooms Katholiek correleert met grote onzekerheidsvermijding en masculiniteit (ondergeschikte rol voor vrouwen). Maar Japan dat net zo scoort op deze dimensies heeft een meditatief geloofsleven.

Aziatische Dimensie 4: het lange termijn perspectief c.q. deugd versus waarheid
In China werd de Hofstede benadering verworpen. Uit eigen Chinese Value Survey (CVS) kwam daar de lange/korte termijn dimensie als cruciaal naar voren. Deze dimensie neemt dan de plaats in van Westerse Onzekerheidsvermijding. In de CVS wordt een Neo-Confusianisme levensgevoel ontwaard gekenmerkt door evenwicht tussen Waarden op lange termijn c.q. de toekomst (volharding, gevoel voor hiërarchie, spaarzaamheid, schaamtegevoel) in samenhang met Waarden voor het heden (kalmte, evenwicht, bescherming van je ‘gezicht’, respect voor traditie, correct gedrag).
Bij Westerse onzekerheidsvermijding wordt gezocht naar een absolute Waarheid òf de onzekerheid wordt geaccepteerd. Bij Neo-Confusianisme wordt gestreefd naar de Deugd. Evenals Socrates propageerde Confusius een praktische ethiek zonder religie. Christendom, Judaïsme en Islam veronderstellen één waarheid en hebben een Boek.                                                                                                                

In het Oosten gaat het er om wat je doet; leefwijze, meditatie en rituelen staan centraal en kunnen leiden tot eenheid met God of Goden. Het evenwicht van Yang/Yin, de harmonie van M/F. In het Oosten ligt de nadruk op synthese, de boel bij elkaar houden, aanpassen, consensus.                                                                    

De Islam kent de Waarheid, praktische deugd speelt een geringere rol evenals het vermogen tot aanpassing en vernieuwing. In het Westen, aldus Hofstede, zijn analyse, uitvindingen en vernieuwing bepalend.

Kanttekeningen bij Hofstedes aanpak
Cultuurverschillen zijn Darwiniaans gegroeid en diep geworteld. De voornaamste verschillen betreffende de 5 beschreven dimensies. Taal is ook belangrijk maar een gemeenschappelijke taal impliceert niet een gemeenschappelijke cultuur. Het opvallende verschil tussen Nederland en België is een goed voorbeeld. En Churchill sprak over Engelsen en Amerikanen als ‘two peoples divided by one language’.
Hofstede staat zestiende op de lijst van belangrijkste denkers over het zakenleven van The Wall Street Journal.  Zijn aanpak heeft de wereld leren denken in nationale verschillen. Met de globalisering neemt het belang van begrip voor nationale identiteiten toe. Ze verklaren bijvoorbeeld waarom de directieven uit het hoofdkantoor in eigen land werken maar in het buitenland vaak niet. Een Duitse manager zegt nooit ‘kijk er eens naar ’of ‘wat vindt je zelf van?’ maar in Nederland kan dat. Met andere woorden: dé Nederlander bestaat niet, maar de Néderlander wel. Vrees voor McDonaldisering is vooralsnog niet nodig.

Er moet wel zorgvuldig omgegaan worden met de nationale verschillen. Bij Hofstede lijken de 5 cultuur dimensies goed te kloppen met populaire stereotypen als de agressieve Amerikaan, de gedisciplineerde Engelsman, de onbevangen Deen of de vlijtige Duitser. Daarmee dreigt het gevaar van wat Ruth Benedict de ‘Persoonlijkheid in hoofdletters’ heeft genoemd te weten een willekeurige Nederlander of Pool of Chinees te beschouwen als een optelsom van nationale trekjes. En je mag natuurlijk nooit het individu vereenzelvigen met de groep. Nogmaals: dé (gemiddelde) Nederlander bestaat alleen op papier.

Alle bevindingen van Hofstede betreffen de groep, de collectiviteit en daarvan de diepste attitudes en cultuur. Dat reikt verder dan het bedrijfsleven. Hofstede heeft een denkwijze geïntroduceerd die ook het begrip tussen landen en continenten kan verbeteren. Door niet alleen uit te gaan van eigen overtuigingen maar steeds proberen te begrijpen wat anderen moveert. Bijvoorbeeld: waarom denken Chinezen anders over mensenrechten dan wij?

Uit de Pers 

NRC 21/11/09

Feminien en klagen, dat is twee keer hetzelfde zeggen

In 'De Nederlander bestaat wel' (Opi­nie & Debat, 14 november), schrijft Maarten Huygen instemmend over Geert Hofstedes classificatiesysteem van cultuurverschillen. Nationale ge­dragseigenaardigheden worden daarin verklaard vanuit parameters zoals femininiteit en machtsafstand. Er kleven echter wetenschappelijke bezwaren aan. Ten eerste heeft de contrastering van collectiviteiten als 'Duitsers' en 'Nederlanders' een ver­absoluterend effect. Ze beneemt ons het zicht op de verschillen binnen Nederland en binnen Duitsland. Kerkrade en Aken verschillen nauwe­lijks van elkaar, maar Kerkrade en Rotterdam verschillen zeer sterk. Wat ook wordt verdoezeld zijn de niet minder aanzienlijke overeen­komsten tussen de beide landen. Vervolgens is er een ingebouwde neiging om saillante voorbeelden te selecteren. In de vergelijking met Duitsland krijgen we vooral voor­beelden van Nederlandse softheid voorgeschoteld, die navenant ver­klaard worden vanuit Nederlandse 'femininiteit'. Maar hoe zit het met de voorbeelden van Nederlandse bot­heid of stoerheid, zoals die misschien in een vergelijking met België naar voren komen? Het model gaat ten slotte mank aan een cirkelredenering tussen het beschrijven van gedrags­patronen en het verklaren ervan. Wie zegt dat de Nederlander feminien is en "daarom" veel klaagt of zelfkri­tiek -zoals in het stuk van Maarten Huygen werd beweerd -, zegt twee keer hetzelfde: alsof ik zou stellen dat iemand vrijgezel is en dat daar­door wordt verklaard waarom hij niet getrouwd is. Hofstedes statisti­sche analyse van cultuurverschillen werkt voortdurend de misvatting in de hand als zouden maatschappelijke gedragingen gemotiveerd zijn door, en verklaard kunnen worden vanuit, collectieve psychologismes. Ik ben van mening dat het Hofstedenmodel zich onttrekt aan de weten­schappelijke eis van falsifieerbaar­heid en neerkomt op meting van de herkenbaarheid van nationale stereo­typen. Een falsifieerbare testtoepas­sing zou kunnen zijn: stel een profiel samen van hoe 'de' Nederlander per­tinent niet is en kijk dan hoe die be­wering zich verhoudt tot de empiri­sche werkelijkheid.

Joep Leerssen Hoogleraar Europese studies, UvA

NRC 23/11/ 2009

Mijn model is wel degelijk falsifieerbaar

Joep Leerssen herhaalt argumenten uit een discussie tussen ons in het tijdschrift Theoretische Geschiedenis van december 1988 en september 1989 (Opinie & Debat, 21 november). Het voortschrijdende inzicht in mijn boeken van de afgelopen twintig jaar, en de toepassingen van mijn paradigma zijn Leerssen blijkbaar ontgaan Mijn onderzoek naar nationale cultuurverschillen gaat niet over verschillen tussen individuen, maar tussen samenlevingen. Zodra uitspraken over verschillen tussen samenlevingen op ieder individu uit die samenlevingen worden toegepast, is er sprake van stereotypen ('stempels'). Ik maak me daar niet aan schuldig. Natuurlijk zijn er verschillen tussen mensen binnen elk land. Samen met de Amerikaanse persoonlijkheids- psycholoog Robert McCrae heb ik in 2004 in het tijdschrift Cross-Cultural Research aangetoond dat in elke nationale cultuur alle mogelijke persoonsprofielen voorkomen, alleen komen sommige in de ene cultuur relatief vaker voor dan in de andere. McCrae en collega's hebben overigens ook uitgebreid zijn, en dat mijn model zich onttrekt aan de wetenschappelijke eis van falsifieerbaarheid. Voor mij is een model falsifieerbaar als de conclusies meetbaar zijn, zodat anderen desgewenst kunnen aan tonen dat ze niet met de werkelijkheid kloppen. Die mogelijkheid is bij mijn werk altijd aanwezig.

Geert Hofstede  Sociaal-psycholoog en emeritus hoogleraarvergelijkende cultuurstudies, Universiteit Maastricht 

 
Nederlandse pocket editie
 
USA editie

 

.

.

 

 

 

 

.